Onlangs zijn enkele vrijwilligers bij De Salamander begonnen de penterbak, een werkbootje oorspronkelijk daterend uit de jaren ‘20 van de vorige eeuw, op te knappen. Dit bootje is een onmisbaar hulpmiddel in het zaagproces bij het transport van opgeslagen stammen vanuit het balkengat naar de molen om gezaagd te worden.
Na een eerste inspectie bleek tot grote opluchting het staalwerk in goede staat te verkeren. Aan de binnenkant moeten wel diverse doorgeroeste spanten hersteld worden. Desondanks een grote klus: schoonspuiten, krabben en schuren van slechte delen, het geheel opnieuw in de oorspronkelijke kleuren in de verf zetten en het nieuw maken van houten vlonders in de boot. Als over zo’n twee maanden ook de belettering opnieuw is aangebracht is de onmisbare penterbak weer klaar voor een jarenlang gebruik.


Over de herkomst van dit werkbootje is meer bekend:
Werkboot bij De Salamander te water gelaten
De authentieke sfeer van een molen – en zeker van een bedrijfsmolen – staat en valt bij de aanwezigheid (of afwezigheid) van de losse inventaris als gereedschappen enz. Posters en plaatjes veranderen daar niets aan, noch een soort alternatieve uitdragerij van allerhande ‘antieke’ voorwerpen die weinig of niets met de molen van doen hebben. Vooral bij zaagmolens valt de enorme hoeveelheid losse stukken op. Als ze ontbreken dan blijft het een ‘dooie boel’. Het is dan ook een loffelijk streven om die inventaris compleet te houden of zelfs aan te vullen. Onlangs is daarvan een voorbeeldig staaltje getoond aan de zaagmolen De Salamander in Leidschendam. Het is bekend dat er bij deze molen een ijzeren, omstreeks 1920 gebouwd, werkbootje heeft behoord dat is gebruik om afgezonken stammen te lichten. Dit bootje was foetsie. Molenaar Giel de Graaf uit Oud Verlaat vermoedde dat de oud-eigenaar van de molen, Jan Koerts, het met zijn woonark had meegenomen richting Gouda, waar het in een afgesneden bocht van de Gouwe terecht kwam zo bleek. De Graaf ging op jacht en met succes. Iemand herkende het bootje van de foto’s die De Graaf bij zich had. Het bestond nog, maar lag alleen onder water: gezonken. Giel de Graaf liet zich niet ontmoedigen. Nadat Koerts bereid was het schuitje af te staan werd het met de medewerking van provinciale waterstaat gelicht en naar Leidschendam gebracht, waar het over de sleephelling in de zaagloods werd getrokken. Het vlak bleek onherstelbaar slecht te zijn, zodat de boot een hele nieuwe bodem kreeg. Voor het grove werk is er een paar keer een lasser bij geweest, maar verder heeft De Graaf het bootje eigenhandig hersteld. Het ziet er nu vlekkeloos uit, zo mooi als het bij de aflevering waarschijnlijk niet eens is geweest. Op 2 mei 2000 volgde de tewaterlating, waarbij de naam voor het scheepje ‘Kantje-boord’ door twee kleindochters van De Graaf werd onthuld. De tewaterlating zelf werd verricht door oud moleneigenaar Jan Koerts. Tijdens het feestelijk samenzijn liet De Salamander ook zien waar hij toe in staat was met het zagen van een 22 meter lange stam.
Bron: Maandblad over molens en hun opvolgers 3de jaargang, nr. 6 2000