Skip to content

Flamboyante eigenaren van De Salamander

Eigenaren van tot Beschrijving Penningen
Huijbert Crijnen van Eijk

en

Vincent Lourissen van

Palesteyn

 

Bloemendaal

1643 1649 13 februari: Een seeckere wint-saechmolen mitsgaders een huysinge dienende totte neeringe van de houtcooperije omme daerinne bequamelijck te moogen woonen. Met ‘behoorliicke eerbiedinge vragen ze toestemming aan de Heere Johan van Wassenaer, Heere van Duvenvoirde, Voorschoten, Sterrenbuch enz. De molen wordt opgericht omtrent den Leijdschendam op de Vliet over de Corenmolen en dient tot accommodatie ende gerieve van de ingesetenen van Edelheyts heerlichheyt van Voorschoten als andere omtrent gelegene dorpen. Windgeld ƒ 4 per jaar
Vincent Lourissen van

Palesteyn

1644 1647 Heeft aan de overkant van de molen bij de Starrevaart een zaagmolen, de ‘molen van Palesteyn’ voor het saegen van alderley hout; afgebrand in 1647. Windgeld ƒ 5 per jaar
Jacob Jansz de Lange 1649 1693 Mede-zaagmolenaar. Zaagmolen met huis, grond, gereedschappen, de daarbij behorende grond en de roerende goederen. Schuldbrief van 3600 Carolus guldens. Windgeld ƒ 4 per jaar
Jan Jansz Breur de Oude (1685 – 1744) en Jan Jansz Breur de Jonge (1706 – 1792).

Zaagmolenaars en koopmannen in hout in Delft e.o.

    Jan Cornelisz Breur (Jan Creelissen), geboren in Amsterdam, overleden in West-Zaandam rond 23 maart 1692. Zoon Jan Jansz Breur de Oude koopt in 1709 in Delft een achtkante zaagmolen. Afgaande op de geboorte van dochter Francijntje in Leidschendam en bij de koop van de molen de vermelding houtsaeger bij den Leijdschendam onder Veur blijkt dat Jan Jansz Breur de Oude en Annetje Simons van der Meer enige jaren in Veur gewoond hebben (1708 -1711). Jan Jansz Breur de Oude is de vader van Jan Jansz Breur de Jonge en de grootvader van Jan Anthony Prijn.
Govert Jacobs de Lange 1693 1713 Zijn zoon is enige erfgenaam en dan eigenaar.
Leendert van Wingerden 1713 1717 1780 contante gouden guldens
Jan en Jacob Kaper, broers uit Den Haag 1717 1718 Zijn beiden voor de helft eigenaar.

Zaagmolen, woonhuis, schuur en het daarnaast gelegen erf aan de noordzijde van de Leijdschendam aan de Vliet. Het gekochte is ‘tegenwoordig getimmerd en in gemaakte staat gebruikt en bewoond’.

Vroegere afspraken over de uitweg blijven van kracht, alles is aard en nagelvast.

 

 

1000 gouden guldens + custingbrief van 600 gulden, losse gereedschappen getaxeerd op 300 gulden
Jacob Kaper 1718 1735 Overname door broer Jacob; is dan eigenaar van het geheel. 300 guldens zijnde de helft van 600 goudguldens van de custingbrief welke nog Leendert van Wingerden aankomen en nog 700 goudguldens.
1730 Advertentie: Uit de hand te koop. De houtkopery is reeds 16 à 17 jaren met goed succes gedaan; zijnde de molen voorzien van alle gereedschappen tot de houtzagerij nodig, nevens een bequam woonhuijs met een aparte wooning voor de knegts, ook schuyten en bequame schuuren om ‘t hout in te leggen.
Gosewijn van Dijk

(1701 -1768)

1735 1767 Koopman in hout, houtkoper, zaagmolenaar, koopman in houtwaren. In 1753 gehuwd met Elisabeth van Spijk, weduwe van zeepzieder Willem van Oorden. ƒ 3400 en voor losse gereedschappen

ƒ 600 in contanten

Windgeld ƒ 4 per jaar

1739 Bouw van 2e molen: verzoekt tot beeter kostwinningh voor hem en zijn familie als tot meer gerief van d’inwoonders van Veur, Voorschoten en andere nabij leggende dorpen wil hij nogh gaarne een tweede wind-zaagmolentje op seker bij hem gecocht erve ten oosten van de oude zaagmolen aan de Vliet onder Veur omtrent den Leijdschendam bij hem tegenwoordigh beseten werden soude willen doen oprichten.

Toestemming van de hooged. welgeb. Vrouwe Anna Margareta Baronesse Bentinck, Douairière van Wassenaar, Duvenvoirden, Vrouwe van Duvenvoirden, Voorschoten, Veur enz.

ƒ 4 windrecht per 01-01-1741.

‘Ingaande zo haast de moole gebragt zal zyn onder zeyl’.

1761 1766 Compagnieschappen van Negotie in Houtwaaren ten name van Martinus van Oorden Wz en Comp. Zoon van Elisabeth van Spijk uit haar 1e huwelijk met Willem van Oorden. Neemt in die tijd steeds meer de houtnegotie op zich; stiefvader Gosewijn is lijdende aan verzwakte

geestvermogens en regelmatig afwezig.

1766 1768 Martinus van Oorden heeft met notaris Melchior Bos uit Voorburg per 1 januari 1766 een Negotie en Compagnieschap in alle soorten van molenassen, Rigaase en alle andere soorten van molenroeden; alsmede staart- en spruijtbalken, mitsgaders masten zoo in een als andere respecten, zoo groot als kleijn gelijk, ook in alle soorten van pek en teer. Contract herroepen door Elisabeth in september 1768.
Elisabeth van Spijk

(1716 – 1800)

1767 Gosewijn is opgenomen in de Vergulde Cabel in Delft, een Verbeterhuis voor mannen, merendeels uit de meer draagkrachtige families uit Delft en omstreken, ‘aan verzwakte geestvermogens lijdende’ (krankzinnigheid, dronkenschap, slecht gedrag of tot wanneer iemand weer over zichzelf kan gouverneren). Gescheiden en dan volledig eigenaresse van de molens en de houtkoperij.
Arnoldus Theodorus Zodaar

(1734 – 1800) en Elisabeth van Spijk

1768 Meester-timmerman en schrijnwerker uit Den Haag. Koopt per 1 november 1768 van Elisabeth de helft van haar bezit: twee hegte, sterke en zeer favorabel geleegene houtzaagmolens, 2 stukken weyland ende fraaye en vermakelijke huijzinge aan de Vliet. Schuldbrieven van ƒ 2000 uit 1738 bij weduwe Tork en ƒ 2000 bij de kerk van Voorschoten en ƒ 6000 contant, totaal

ƒ 10.000.

Windgeld ƒ 8 per jaar

1768 1769 Compagnieschap Zodaar en van Oorden & Comp. Kopen, bewerken en vernegotieren in molenroeden, assen, eijke, grijne en andere houtwaaren, onder toezicht van en op voorwaarden van Elisabeth.

In september 1769 door weduwe Elisabeth opgeheven ‘tot voorkoming van alle disputen en onenigheden welke zouden kunnen ontstaan of resulteren, of wanneer de specifieke rekening en balance moet worden opgemaakt’. Elisabeth staat in vrije eigendom af al wat zij aan houtwaren privé en in de compagnieschap bezit; heeft nog wel aanspraak op een eventueel aandeel in de winst uit de compagnieschap.

Betaalt na einde compagnie ƒ 5975 met overname van haar schulden. Een obligatie van ƒ 1000; ƒ 1200 te vorderen door de executeurs van het testament van weduwe Antonia Verweij, een restant schuld van ƒ 500 aan Griffius en ƒ 3275 contant. Zoodaar neemt voor ƒ 525 zich op de houtzaagmolens bevindende meubilaire goederen van Elisabeth over.
Arnoldus Theodorus Zodaar 1770 1779 Koopt in 1770 ook de wederhelft, volledig eigenaar.

 

 

Op de molens rust een schuld uit 1738 van van Dijk van ƒ 2000 bij de Kerk van Voorschoten, een schuld aan Jan Tack, Medicine Doctor te Leiden van ƒ 6000 en een schuld aan Jan Balthazar Strick van Linschoten van ƒ 5000. Zodaar neemt de uitstaande schuldbrieven van ƒ 9000 over en betaalt ƒ 3000 in contante gelden.
1772 Martinus van Oorden vertrekt met achterlating van schulden in dienst van de VOC naar de Oost; blijft achter in Kaap de Goede Hoop.
1773 1774 Molens afgebrand. ‘De Nederlandsche Stad en Dorp-Beschrijver’ (door R. Bakker VII Deel Rhijnland, Amsterdam 1799) vermeldt: Anno 1773/1774 branden in Veur twee houtzaagmolens af met aldeszelfs aanbehoren. Is de enige daarover bekende vermelding.
1778 Molen De Salamander herbouwd. Vanaf die tijd vermeld als Houtnegotie / houtkoperij ‘Windlust’.

Zodaar bouwt Villa Windlust.

1778 Jan Anthony Prijn trouwt op 18 augustus met Stephana Zodaar, dochter van AT Zodaar.

Ouders wedersyds en Bruigoms Grootevader

En Vriende na den Rang verblyd U al te gader,

Neemt deel in deeze vreugd juich hier te zaam by Veur

En op de Bruiloft van een Klynzoon van Heer Breur

En van Heer Zoodaar oudste Dogter hier.

Huppelt Leidschendammenaaren!

Veursche lieden, toont uw vreugd!

Prijn en Zoodaar ryk van deugd,

Zullen tot uw heil thans paaren.

Zaagt gy Zoodaars huisgezin,

Door de zwaarste rampen drukken,

Thans ziet ge al die ongelukken,

Vlugten voor de prysb’re min.

Zodaar en Prijn 1779 25 mei is bij notaris Samuel Arnoldus Prijn Jzn in Delft vastgelegd dat Zodaar en J. Prijn per 1 januari 1779 beiden de helft van de molens, huizen, houtwaren en erf in eigendom krijgen. Windgeld ƒ 8,00 per jaar.

Bij Jan Jansz. Breur de Jonge heeft Zodaar eerder al ƒ 86.000 geleend. Met geleverd hout en verschoten penningen ter waarde van ƒ 70.000 aan obligaties is de negotie gefinancierd. Voor beiden dan de helft.

1779 1781 Compagnieschap van Houtnegotie, Firma Zodaar en J.A. Prijn per 1 januari 1779; Zodaar krijgt de helft van alle houtwaaren op de molenwerf en in het water in zijn bezit.
1780 2e molen herbouwd, 25 mei 1780:

Op Windlust, dit verblyf, dat ieders oog bekoord,

Werd, door een ongeval, weleer omver gestooten;

En gij, op ’t onverwachts, in uw geluk, gestoord.

Ja! Zoo ‘k mij niet bedrieg, is ’t even na vijf jaaren

Geleeden, dat de ramp, waar op ik doel, u trof.

Niets is door het geweld der vlammen gespaard.

1780 1800 Zodaar vertrekt naar Zoeterwoude en begint houtkoperij Hout en Rijnlust met 2 zaagmolens, de Haan en de Eendracht. Zaagmolenaar, koopman in houtwaren, eigenaar van een pannenbakkerij, kalk- en steenbranderijen, zakenman/investeerder in Leiden, Voorschoten, Zoeterwoude en Leiderdorp.
Jan Jansz. Breur de Jonge uit Delft (1706 – 1792). 1781 Jan Breur is de grootvader van Jan Anthony Prijn.

2 houtzaagmolens met de werf, huizen, stallingen, koepel aan het water, houtschuren, loodsen en verder getimmerte en het weiland aan de Laan achter de werf.

 

De Compagnieschap van Houtnegotie, Firma Zodaar en J.A. Prijn is per oktober 1781 beëindigd en dan voortgezet door Prijn.

Windgeld ƒ 8,00 per jaar.

De houtkoperij is belast met een hypotheekbrief van ƒ 2000 van van Dijk en zijn vrouw uit 1738 bij de Kerk van Voorschoten. Een hypotheekbrief van ƒ 6000 uit juni 1761 ten behoeve van wijlen Jan Tack, med. doctor te Leiden; de hypotheken van totaal ƒ 8000 neemt Breur over. Voorts is betaald ƒ 27.000 in contante en gerede penningen; totaal ƒ 35.000. De laatste penning is met de eerste penning betaald.

1782 1793 Houtnegotie door Breur verhuurd aan J.A. Prijn.

1e vermelding van de naam De Salamander en De Hoop.

Aflossing en betaling van de rente van de gelden die Prijn schuldig is aan Jan Breur. Een schuld van ƒ 67.000, bestaande uit ƒ 56.000 en ƒ 11.000. Oorspronkelijk gaat het om 2 obligaties van totaal ƒ 83.000 die eerder zijn opgenomen door Zodaar.

In 1794 is de schuld nog f 50.000.

1788 Testament Jan Jansz. Breur de Jonge: bepaalt dat kleinzoon Prijn de houtkoperij zoals het nu door Prijn van Breur in huur gebruikt wordt, voor ƒ 30.000 aan kan nemen; zo niet dan moet dit bedrag t.z.t. bij de boedelscheiding onder de erfgenamen verdeeld worden.
J.A. Prijn (1757 – 1801) 1794 1801 Jan Breur is overleden in 1792. Anthony en Cornelis Breur en dochter Maria van Schalkwijk a Velde, geb. Breur, kleinzonen Egbertus Bernadus ten Dall, Didericus ten Dall en J. Prijn, kinderen van zijn dochter Anna Breur, zijn de universele erfgenamen. De erfgenamen /rechthebbenden hebben de schuld van Prijn aan Jan Breur de Jonge van f 50.000 overgenomen en omgezet in een obligatie.
Nabestaanden A.T. Zodaar 1800 1810 Zodaar overlijdt in 1800, zijn vrouw Anna van Bleijswijk in 1802. Boedelscheiding van beiden is in 1810 afgewikkeld. Erfgenamen zijn de 3 kleinkinderen Jacobus Willem, Arnoldus Theodorus en Jan Everardus Prijn.
Back To Top